Veel honden vinden het heerlijk om in de sneeuw te spelen. Ze rennen maar al te graag achter sneeuwballen aan en steken hun snuit in de sneeuw op zoek naar interessante geuren.
Op zich kan dat geen kwaad, maar let er toch op dat je huisdier niet te veel sneeuw opeet. De koude sneeuw kan immers voor klachten zorgen, zoals misselijkheid, krampen of diarree.
Maar ze kunnen ook last hebben van sneeuw, ijs en kou.
Tussen de voetzolen, aan de achterkant van de poten en onder de buik hebben sommige hondenrassen lange haren. Er kunnen zich sneeuwklompjes gaan vasthechten aan de lange vacht en dit voelt erg ongemakkelijk aan. Het bemoeilijkt maar het kan vooral pijn veroorzaken tijdens het lopen als er sneeuw- en ijsklompjes onder de voetzolen vastkleven. Knip daarom overtollig haar weg om dit te voorkomen en smeer wat vaseline op de voetzolen van je hond. Mochten er toch nog klompjes sneeuw aan de vacht vast kleven, knijp ze dan stuk. Probeer ze nooit los te trekken dit kan leiden tot wondjes!
Binnen honden hebben vaak een minder ontwikkelde wintervacht, pas daarom je wandeling aan en houd rekening met de grootte en vachtsoort van je hond. Kleine honden, zoals de teckel, hebben het eerder koud. Door hun kleinere lichaam koelen ze sneller af en kost het ze meer moeite om warm te blijven.
Stilstaan in de sneeuw dien je te voorkomen, zorg er dus voor dat je hond in beweging blijft, dan blijft hij warm.
Een natte hond heeft eerder kans om onderkoeld te raken. Voorkom dus gesmolten sneeuw of water in de vacht.
Goed afdrogen. Maak je hond na het wandelen droog met een absorberende handdoek. Een natte hond raakt sneller onderkoeld en warmt moeilijk op. Zorg dat er zo min mogelijk water of gesmolten sneeuw in zijn vacht achterblijft. Vergeet ook niet om de oren en pootjes mee te nemen.
Als je hond het te lang erg koud heeft, dan daalt zijn lichaamstemperatuur naar 37,5 graden of lager. Dit noemen we onderkoeling. Een hond zal niet snel onderkoeld raken, maar het kan in bepaalde situaties zeker wel gebeuren.
Hou altijd in de gaten of hij het niet te koud heeft. Dit kan je bijvoorbeeld merken aan: Rillen, geen contact maken, problemen met ademhalen.
Bevriezingsverschijnselen zijn: De huid is eerst bleek en blauw en daarna rood en opgezwollen, de hond heeft pijn aan de oren, staart of poten.
Doe het volgende als je hond onderkoeld is: Verplaats hem naar een warme ruimte. Wikkel warme dekens om hem heen. Een warme (niet hete) kruik tegen de buik of borst kan ook. Geef hem suiker en warm drinken. Bel zo snel mogelijk de dierenarts.
Het is belangrijk om je hond langzaam op te warmen. Een warme douche is bijvoorbeeld geen goed idee. Begin met het opwarmen van de buik, borst en romp. LAAT DE POTEN EN OREN EN STAART MET RUST !!! Door te snel of verkeerd opwarmen kan je hond in shock raken.
Breng een ernstig onderkoelde hond daarom zo snel mogelijk naar de dierenarts.
Vermijd ijsplekken: niet alleen mensen bezeren zich als ze uitglijden.
In de wintermaanden is het vaak al om 17.00 uur donker. Goede verlichting is dan geen overbodige luxe. Er zijn verschillende mogelijkheden. Denk aan een lichthalsband zodat je hond goed zichtbaar is of een reflecterend veiligheidshesje . Ditzelfde geldt natuurlijk ook voor jou!
